De veelkleurige familie van Granaat | NL
De familie van de granaten valt op door haar grote verscheidenheid van kleur en een zeer breeds spectrum van gemmologische gegevens, van structuur, densiteit en brekingsindex. Er zijn verschillende types granaat, met nadruk op hun gemeenschappelijke en individuele kenmerken. Hierover heeft dr Hänni SSEF een grondig onderzoek gedaan tijdens het symposium van de Gilde van Edelstenen.
Een met het blote oog zichtbaar kristal bevat de mineralogische formule miljarden malen. De kleinste mogelijke granaat bestaat uit één formule-eenheid; die wordt molekule genoemd . Een kristal van enige omvang bestaat dus uit miljarden granaatmolecules . Vermits elk type granaat een eigen chemische samenstelling heeft, bezit deze kenmerken fysische waarden.
De reeds geschetste granaten hebben alle een ideale en theoretische scheikundige samenstelling, die men slechts zelden in de natuur ontmoet. De natuurlijke granaten zijn over het algemeen "mengelingen" . Gedurende de kristallisatie van de granaten in de natuur staan verschillende bivalente en trivalente ionen ter beschikking.
Bij voorbeeld , een natuurlijke granaat zal terzelfdertijd Mg2+ en Fe2+ bevatten. Pyroop- en almandin-molecules ontstaan parallel.
Er vormt zich wat men noemt een "gemengd kristal" , waarvan de scheikundige samenstelling zich tussen in de twee overeenstemmende zuivere polen bevindt. Pyroop en almandin zijn (voor elke verhouding) onderling mengbaar . Zij vormen een serie gemengde kristallen.
Een gemengd kristal, bestaat bv uit twee onderdelen , nl. pyroop- en almandingmoleculen . De meeste natuurlijke granaten zijn gemengde kristallen, bestaande uit twee of meerdere zuivere elementyen (variabele verhouding). De gemengde kristallen zijn vanuit optisch standpunt meestal homogeen ; men kan ze vergelijken met vaste oplossingen. kristal worden 40%% van de almandin-moleculen "opgelost" in 60% pyroop.
Bepaalde granaten laten een beperkte vermenging toe met andere types granaat. Men heeft vastgesteld dat de granaten van de pyralspitegroep een belangrijke mengbaarheid bezitten. In dezelfde zin zijn de granaten uit de ugrandietgroep onderling mengbaar. Daarentegen zal men zeer zelden vermenging van granaten uit de twee groepen vaststellen.
De tussenruimter, waar zich in de natuur onbestaande mengverhoudingen bevinden, worden "mengbaarheidslacunes" genoemd .
Echte granaatedelstenen zullen verschillende types granaat voorstellen. Het principe van mengbaarheid tussen twee scheikundige samenstellingen die dezelfde kristalstructuur bezitten heeft een grote verscheidenheid van gemengde kristallen voor gevolg. Hun kleur, brekingsindex en densiteit worden ook beïnvloed door de eigenschappen van de zuivere elementen. Het type granaat dat gevormd wordt tijdens de kristallisatie hangt af van het beschikbare materiaal, van lokale geologische factoren en van fysico-chemische factoren.
De correcte benaming van de individuele granaten wordt dikwijls voorafgegaan door niet-destructieve scheikundige analyses waarvan de resultaten kwantitatieve gegevens leveren over de granaten van de zuivere elementen.
Pyroop-almandin granaten: De meest verspreide granaten zijn de rode stenen van de serie gemengde pyroop-almandin kristallen. Als de kleurloze pyroop 10-40% almandin bevat krijgt hij een aangenaam rood van kleur. Hogere hoeveelheden almandin geven donkere granaten; zuiver almandin is immers zeer donkerrrood. Rhodoliet is een variante van pyroop-almandin (licht violet—rood) met 10—25% almandin.
Enkele percenten almandin-moleculen volstaan reeds om kleureffecten te bekomen. Vandaar dat de absorptiespectra van lichte rhodolieten almandin-delen bevatten bij 575, 527 en 507 nm. Pyroop, dat in zuivere staat kleurloos is, kan door andere dan almandingranaten gekleurd worden. De idiochromatische variëteiten spessartine (geel) en knorringiet (rood) zijn mengbaar met pyroop.
Het bloedrood chromopyroop bevat een kleine hoeveelheid kuorringiet—moleculen (Mg3 Cr2 Si3 O12).
Bepaalde granaten, essentieel samengesteld uit pyroop-almandin mengsels bevatten nog een klein percentage grossulaar en spessartien of enkele andradietmolecules, waarbij de beide laatste polen de kleur kunnen beinvloeden.
|
